Nieuwsbericht

Eurodelegatie bezoekt Utrecht

Do 27 Jan 2005

Op vrijdag 21 januari bracht de Eurodelegatie een werkbezoek aan de stad Utrecht. Op de agenda stonden een debat over kenniseconomie en de harddrugsproblematiek. Tussen de bedrijven door begaven de Europarlementariërs zich naar de Utrechtse binnenstad om daar hun oor te luister te leggen bij het winkelend publiek.
Debat kenniseconomie
Het werkbezoek werd geopend met een debat over de kenniseconomie en de rol van de provincie en de stad Utrecht in die kenniseconomie. Otto Raspe van het Ruimtelijk Planbureau maakt het onderscheid tussen gebieden in Nederland waar de nadruk ligt op onderzoek en ontwikkeling, op innovatie en op kenniswerkers. Uit zijn geografisch overzicht blijkt dat in Zuidoost Nederland vooral onderzoek en ontwikkeling plaatsvindt, in het westen vooral innovatie en dat kenniswerkers zich vooral bevinden in de grote steden, zoals Utrecht. In een ideale situatie voor de ontwikkeling van de kenniseconomie is er een balans van deze drie componenten. In Utrecht echter, stelt Raspe vast, ligt het zwaartepunt bij de kenniswerkers en wordt er slecht gescoord op onderzoek en ontwikkeling. Daarmee laat Utrecht kansen liggen.

Oedzge Atzema, hoogleraar economische geografie, ziet een overeenkomst tussen Utrecht en de PvdA: beiden hebben veel met kennis, weinig met innovatie. Toch ziet hij kansen. Volgens Atzema heeft Utrecht verborgen schatten om wel uit te groeien tot innovatieve regio. Hij verwijst naar de theorie van de drie T's: talent, technologie en 'tolerance'. Met dat laatste wordt een cultuur bedoeld waarbinnen talent tot uiting kan komen. Het is de moeite waard te investeren in verbetering van de 'tolerance'. Tot slot haalt Atzema een collega-hoogleraar aan die innovatiebeleid sociaal beleid noemt, integratiebeleid zelfs. Atzema concludeert dat het daarom van groot belang is dat de regio Utrecht investeert in infrastructuur, onderwijs en cultuur.

De voorzitter van de Kamer van Koophandel Utrecht, de heer Bielders, laat zien dat Nederland achterop ligt in Europa. Binnen Nederland hoort Utrecht bij de achterhoede. Het Utrechtse bedrijfsleven scoort gemiddeld slechter dan de rest van het land. Om die reden is de Taskforce Innovatie in het leven geroepen waarin naast het bedrijfsleven ook de regionale overheden en de kennisinstituten in de regio zitting hebben. De Taskforce richt zich op life science, ICT, zakelijke dienstverlening, design en multi-media.

Na deze inleidingen gaat het panel onder leiding van PvdA-europarlementarier Edith Mastenbroek, in debat met de mensen in de zaal. De studenten - de kenniswerkers van de toekomst - missen doe-mentaliteit, vooral bij de PvdA. Daarmee sluiten ze aan bij de verwijten van het bedrijfsleven aan de PvdA. De discussie spitst zich vooral toe op het universitair onderwijs. Trude Maas, PvdA-Eerste Kamerlid, merkt terecht op dat juist op het HBO, de ROC’s en op het VMBO veel gedaan wordt om jongeren op te leiden voor banen in het Midden- en KleinBedrijf, de sector waarop de kenniseconomie voor een groot deel draait en waarin veel innovatie plaatsvindt. Maar de kenniseconomie wordt zeker niet alleen ontwikkeld door te investeren in onderwijs: ICT en infrastructuur zijn minstens zo belangrijk. Ieke van den Burg, PvdA-europarlementariër, trekt zich de kritiek richting PvdA aan en geeft aan dat de PvdA al jaren breder kijkt dan de liberale, vrije marktgedachte door juist de nadruk te leggen op samenhang en het creëren van cultuur voor innovatie.

Harddrugsproblematiek
Aansluitend bracht de delegatie eerst een bezoek aan PvdA-wethouder Hans Spekman, verantwoordelijk voor onder andere de aanpak van de harddrugsproblematiek in Utrecht.

Utrecht kent net zoals de andere gemeentes een probleem met dak- en thuisloze harddrugsgebruikers, maar heeft in tegenstelling tot andere gemeentes gekozen voor een zeer pro-actieve aanpak. Met de oprichting van speciale ‘hostels’ voor verslaafden en de gebruikersruimtes die onder beheer van het Centrum Maliebaan vallen wordt niet alleen de overlast in de openbare ruimte beperkt, maar wordt ook ingezet op bestaansverbetering van de gebruikers zelf.

Met de sluiting van de tunnel onder winkelcentrum Hoog Catherijne – de plek waar verslaafden zich verzamelden, slapen en gebruiken – en de opening van hostels en gebruikersruimtes werd een unieke aanpak opgezet. Verslaafden werden op die manier min of meer gedwongen onder het toeziend oog van gemeente en hulpverleners hun leefpatroon aan te passen. Een voorbeeld hiervan is het Sociaal-Medisch Centrum aan de Kaatstraat, waar de delegatie na het bezoek aan Hans Spekman een kijkje ging nemen. In het centrum is een gebruikersruimte ingericht, die onder constant toezicht van hulpverleners staat. Ook wordt er op medische indicatie heroïne verstrekt. De zware gevallen worden er na verloop van tijd uitgepikt om in aanmerking te komen voor een methadontraject.

Daarnaast kunnen verslaafden op verschillende plekken in de stad gebruik maken van een maaltijd, douchen en voor een minimaal bedrag een schoon setje kleren afhalen. Ook is er medische controle aanwezig. Op die manier wordt de levensstijl van een verslaafde in banen geleid, waardoor de zogenaamde ‘verwervingscriminaliteit’ ook aantoonbaar afneemt.

De delegatie toonde zich zeer enthousiast over de Utrechtse aanpak, en op korte termijn zal een Utrechtse delegatie afreizen naar Brussel om daar tijdens een hoorzitting uit te leggen waarom Utrecht voor deze aanpak heeft gekozen.