Nieuwsbericht

Toespraak Jan Cremers

Za 1 Mei 2004

De toespraak die Jan Cremers gaf tijdens de 1 meiviering in 't Huis aan de Vecht staat nu online. Lees en zie wat Jan te zeggen heeft over de Dag van de Arbeid, de uitbreiding van Europa en de implicaties voor Nederland en Utrecht.
Ook te downloaden als PDF
Toespraak voor de 1 meiviering te Utrecht – Jan Cremers.

Voordat 1 mei de dag van de Arbeid werd, was het al in sommige streken van Europa een symbolische dag voor nieuw ontwakend leven, voor de verdrijving van de winter en het inhalen van de lente.

En velen van ons zijn opgegroeid met de eerste zinnen van de Mei, Herman Gorter’s beroemde gedicht: Een nieuwe lente, een nieuw geluid.

De meifeesten stonden altijd in de traditie van het verwelkomen van betere tijden, van optimisme en nieuwe uitdagingen.

Wellicht dat 1 mei 2004 eveneens de geschiedenisboeken in zal gaan als de start van een nieuwe, grote uitdaging en een nieuw begin.

Immers vandaag zullen ruim 70 miljoen Europeanen die zich tot het eind der tachtiger jaren achter het IJzeren Gordijn bevonden toetreden tot de Europese Unie. Een historische gebeurtenis en een volgende etappe in de opbouw van de Europese Unie. Over die Europese Unie zou ik in mijn toespraak het een en ander willen vertellen.

Niet in de laatste plaats vanwege het feit dat we op 10 juni aanstaande allemaal naar de stembus kunnen gaan in het kader van de Europese verkiezingen. Ik sta bij die verkiezingen op de 9e plaats van de PvdA-lijst.

De Europese samenwerking is bij de start een project geweest van hoopvolle verwachtingen: nooit meer oorlog en samenwerking op het Europese continent tussen landen die voorheen eeuwen in onderlinge gewapende strijd leefden. De hoop op een grotere sociale rechtvaardigheid en op het verbeteren van de rechten van burgers in enkele Europese landen waar tot ver na de tweede oorlog nog dictatoriale regimes aan de macht waren speelden een belangrijke rol bij het vinden van blijvende steun voor meer Europese samenwerking. De oudere generatie had duidelijk voor ogen waar het om te doen was: sociale rechtvaardigheid, een betere verdeling van de welvaart, vreedzaam samenleven en gezamenlijk werken aan een goed toekomstperspectief voor jong en oud.

Eigenlijk kunnen we stellen dat deze verlangens heden ten dage nog steeds niets aan geldigheid hebben verloren. En toch lijkt het er op dat de steun voor meer Europese samenwerking in Nederland aan het afnemen is. We praten over Europa alsof daar een bedreiging van uitgaat; in veel discussies zijn we naar binnengekeerd, verschansen we ons als het ware achter de dijken en staan we met de rug naar de nieuwe Europeanen, en mede daardoor worden we niet meer door onze mede-Europeanen herkend als het open, tolerante Nederland, een van de gidslanden als het er om ging nieuwe uitdagingen aan te gaan.

Een partij als de PvdA zou haar geschiedenis verloochenen als we mee zouden huilen met de wolven.

Natuurlijk valt er veel te bekritiseren aan de Europese samenwerking.

Ik heb dat in mijn vorige functie als Europees vakbondsbestuurder voortdurend gedaan. Europa moet niet het project worden van de bureaucraten, of van de ongebreidelde marktwerking.

Er is een democratisch tekort en te weinig oog voor de noodzakelijke sociale samenhang.

Dat is echter geen noodlot dat ons overkomt; het was in het verleden en is ook nu nog het werk van mensen, van politici als Bolkestein, maar ook van onze eigen nationale ministers die besluiten nemen met vergaande gevolgen voor onze samenleving.

Een kritisch geluid is daarbij hard nodig en daarom is de opkomst bij de komende verkiezingen van zo groot belang. Het Europees Parlement heeft beperkte bevoegdheden en ontleent zijn kracht aan het mandaat dat het krijgt van de kiezer; dat vormt mede de inzet van de komende verkiezing.

Ik wilde terugkomen op de grote uitdaging waar we voor staan.

Immers, een kritisch geluid laten horen wil nog niet zeggen dat je daarmee een verklaard tegenstander van de Europese eenwording bent.

Ik beschouw mezelf in tal van opzichten een Europeaan in hart en nieren, maar dan een aanhanger van een Europa van de mensen, en juist daarom denk ik recht van spreken te hebben als ik een kritisch geluid wil laten horen. Dat is iets anders als aan de kantlijn blijven staan en roepen dat het allemaal niet goed is. Sociaal-democratische politiek bedrijven wil zeggen dat je je inmengt, inmengt in het beleid dat ontwikkeld wordt. Dat je waar nodig dat beleid bekritiseert en dat je staat voor een aanpak die sociaal en rechtvaardig is.

De uitdaging voor de komende jaren in Europa is de vraag te beantwoorden hoe we het recht op gelijke behandeling van alle burgers, dat al vanaf de beginjaren is verankerd in het Europese recht, staande weten te houden. Staande tegenover politici uit conservatieve en liberale hoek die vrij baan willen maken voor het recht van de sterkste en die alle ruimte willen geven aan de markt.

Dat is een geloofsovertuiging die ons niet past.

In veel landen die nu lid worden van de Europese Unie betekent het vrij baan maken voor de werking van de markt dat de zwakken in de samenleving worden overgeleverd aan de wetten van de jungle. De meeste landen in Oost Europa staan pas aan het begin van een democratische rechtsstaat en dat betekent dat tal van sociale voorzieningen die voor ons vanzelfsprekend zijn niet of nog niet aanwezig zijn. Deze landen kennen geen sociaal vangnet en het is mede onze verantwoordelijkheid de voorwaarden te scheppen die in die delen van Europa de weg effenen voor sociale rechtvaardigheid en kansen voor iedereen.

Voor de marktdenkers is Oost Europa vooral een nieuw en toekomstig afzetgebied, of de leverancier van goedkope grondstoffen en goedkope arbeid. Dit gedachtegoed slaat in die benadering ook terug op onze eigen samenleving.

In Nederland, zo heet het dan, is de arbeidsmarkt te rigide, worden werklozen en arbeidsongeschikten verwend en daardoor lui, en de laatste tijd hoort daarbij dat de allochtonen alleen maar voor de lusten en niet voor de lasten kiezen.

Ik vind dat de PvdA scherp stelling moet blijven nemen tegen deze verrechtsing van het politieke debat.

De Europese integratie en het vreedzaam samenleven van volkeren in ons land, op dit continent en in andere delen van de wereld moeten de uitdagingen blijven waar we voor staan.

De Europese samenwerking is op de eerste plaats een project van politieke en sociale rechtvaardigheid. Het gaat niet aan om de nieuw toegetreden landen het dictaat op te leggen van een vrijmaking van hun markten en een slechten van hun grenzen voor Westers kapitaal, producten en diensten, en vervolgens geen medeverantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van die vrijmaking.

De introductie van die markt heeft namelijk niet geleid tot een duurzame economische opbloei; het heeft tot nu toe vooral geleid tot een uitverkoop van grondstoffen en tot overnames van die delen van de economie die levensvatbaar waren.

De geschiedenis van de migratie in Europa toont aan dat er heel wat moet gebeuren willen mensen besluiten huis en haard te verlaten. Die geschiedenis toont ook aan dat die beslissing in belangrijke mate wordt beïnvloed door het afwezig zijn van perspectief in eigen land. Toen Spanje en Portugal, na het afschudden van de totalitaire regimes, toetraden tot de Europese Gemeenschap en nieuwe hoop ontstond op een rechtvaardige inrichting en ontwikkeling van hun eigen land keerden de meeste migranten terug naar het thuisland. Daar lag ineens een toekomst en dat gaf de doorslag. We kunnen daarvan leren dat ook voor de nabije toekomst het Europees beleid gericht moet zijn op het scheppen van nieuwe hoop in de landen die toetreden.

Gelijke behandeling houdt niet op bij de grenzen van onze eigen gemeente, ons eigen land of het welvarende deel van ons continent.

Dat is de grote uitdaging waar we voor staan. Ik roep u op u te blijven inmengen in de strijd voor een rechtvaardige, menselijke samenleving.

Op deze dag van de arbeid, tevens de dag van de historische toetreding tot Europa van landen die tot ver in de tachtiger jaren deel uitmaakten van een machtsblok dat als een permanente bedreiging werd gezien voor onze samenleving, dient een beleid gebaseerd op solidariteit het vernieuwde startpunt te zijn voor onze gezamenlijke politiek.