Nieuwsbericht

Liberalisering, de kritische grens bereikt?

Do 3 Jun 2004

Op 3 juni schreef de Utrechtse kandidaat voor het Europees Parlement Jan Cremers een opiniestuk in het Utrechts Nieuwsblad. Heeft u het gemist? Geen nood, u kunt hier precies nalezen wat Jan Cremers te zeggen heeft over Europa en Liberalisering.
Liberalisering, de kritische grens bereikt?

In de tachtiger jaren werd binnen de toenmalige Europese Gemeenschap begonnen met de vrijmaking van de nationale markten in Europa. Enkele captains of industry gaven de aanzet tot het zogenaamde binnenmarktprogramma. Grote, internationaal opererende bedrijven stuitten steeds vaker op nationale barrières, werden daardoor in de groei belemmerd en hadden behoefte aan een grotere thuismarkt. Het slechten van de binnengrenzen in Europa moest het mogelijk maken die thuismarkt in Europese termen (Noord West Europa, het Middellandse zeegebied enzovoorts) te definiëren.

De principes van vrij verkeer (van kapitaal, diensten, producten en mensen) werden het uitgangspunt.

Het programma beloofde rozengeur en maneschijn als deze vrijmaking voortvarend ter hand werd genomen. De economische groei voor de toekomst zou verzekerd zijn; Europa zou de concurrentiestrijd met Amerika en Japan beter aankunnen en opgewassen worden tegen economische crises. Europa stond niet alleen in dit beleid, de Verenigde Staten en verschillende internationale instellingen als de Wereldbank en het IMF voerden de neoliberale principes hoog in het zadel.

In het kielzog van dit programma, gericht op de verbetering van de ‘marktwerking’, zagen liberale politici en marktdenkers kans de vrijmaking te koppelen aan de privatisering van belangrijke delen van het publieke leven. Uit eigen ervaring weet ik dat indertijd zogenaamd onafhankelijke(!) adviescolleges van de Europese Commissie bestonden uit vertegenwoordigers van belanghebbende bedrijven en oud-politici van neoliberale snit (vaak door het bedrijfsleven als lobbyist ingezet).

De afgelopen jaren leidde dit tot de privatisering van belangrijke basisvoorzieningen in de samenleving (energie, post, water, gezondheidszorg, openbaar vervoer, afvalverwerking).

Over deze verregaande privatisering, in de praktijk meestal de omzetting van staatsmonopolies in een kartel van enkele grote internationale ondernemingen, is nationaal weinig discussie gevoerd. De vraag welke basisbehoeften in onze welvaartsmaatschappij kunnen en moeten worden gegarandeerd en geregeld met gemeenschapsgeld is amper gesteld. Net zo min als de discussie hoe de volksvertegenwoordiging (zowel plaatselijk als nationaal) politieke controle kan uitoefenen als privatisering plaatsvindt. Alles werd weggewuifd onder verwijzing naar de bureaucratische, niet-functionerende, niet marktconforme overheidsinstellingen.

Minder geslaagde voorbeelden van uitgevoerde privatisering, de chaos bij het geprivatiseerde Britse spoor, de onbereikbaarheid van het Franse platteland na de privatisering van het streekvervoer of gestegen consumentenprijzen bij de vrije watervoorziening, werden verklaard door onvoldoende vrijmaking of afgedaan als logisch gevolg van onvoldoende rentabiliteit of slechte bedrijfsvoering uit het verleden. Dat dergelijke basisvoorzieningen een maatschappelijk nut (kunnen) hebben en de politiek ervoor kan kiezen deze voorzieningen te vrijwaren van rigide marktdenken, speelde in het Europese debat nauwelijks een rol.

Zo werd liberalisering van de economie vrijwel identiek aan privatisering (en deregulering).

De PvdA staat op het standpunt dat de politieke controle over belangrijke basisvoorzieningen in onze welvaartstaat niet zo maar kan worden weggegeven aan de "markt". In onze welvaartsstaat moeten burgers kunnen rekenen op betaalbaar drinkwater, betrouwbare energie, openbaar vervoer en goede sociale voorzieningen. Het uitbesteden van overheidstaken mag de verantwoordelijkheid van de overheid voor toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare diensten niet ondergraven.

De PvdA werkt niet mee aan verdergaande privatisering van nutsvoorzieningen die in een basisbehoefte van de burger voorzien en wil tijdens de herziening van de Europese regelgeving over de publieke diensten tegenwicht bieden aan de dominantie van het marktdenken.

Jan Cremers, Utrecht, 30-5-2004.